Vreugdebron
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Woorden van leven!
 
 
 
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
van waar komt mijn hulp?
2 Mijn hulp komt van de HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft.
 
3 Hij zal je voet niet laten wankelen,
hij zal niet sluimeren, je wachter.
4 Nee, hij sluimert niet,
hij slaapt niet,
de wachter van Israël.
 
5 De HEER is je wachter,
de HEER is de schaduw
aan je rechterhand:
6 overdag kan de zon je niet steken,
bij nacht de maan je niet schaden.
 
7 De HEER behoedt je voor alle kwaad,
hij waakt over je leven,
8 de HEER houdt de wacht
over je gaan en je komen
van nu tot in eeuwigheid.
 
Psalm 121
 
 
 http://i30.tinypic.com/4vn7lh.jpg
 
 
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
2 Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
3 hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
 
4 Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
 
5 U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
 
6 Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
 
Psalm 23
 
 
 
 
 
De Rivier
 
Al mijn zonden, al mijn zorgen, neem ik mee naar de rivier. Heer, vergeef mij en genees mij. Vader, kom, ontmoet mij hier.
Want dit water brengt nieuw leven en verfrist mij elke dag. 't Is een stroom van uw genade, waar 'k U steeds ontmoeten mag.
Refrein: Here Jezus, neem mijn leven, ik leg alles vor u neer. Leid mij steeds weer naar het water, 'k wil Udaar ontmoeten,Heer.
Al mijn zonden, al mijn zorgen, neem ik mee naar de rivier. Heer, vergeef mij en genees mij. Vader, kom, ontmoet mij hier.
Want dit water brengt nieuw leven en verfrist mij elke dag. 't Is een stroom van uw genade, waar 'k U steeds ontmoeten mag.
(Refrein)
Kom ontvang een heel nieuw leven, kom en stap in de rivier. Jezus roept je, Hij verwacht je en Hij zegt: "Ontmoet mij hier."
(Refrein)
Leid mij steeds weer naar het water; 'k wil U daar ontmoeten, Heer.

Opw. 642
 
 
 
De wijnstok en de ranken
 
1 ‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. 2 Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij, opdat hij meer vruchten draagt. 3 Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb. 4 Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. 5 Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen. 6 Wie niet in mij blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. 7 Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. 8 De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.
 
Johannes 15 : 1
 
 
 
 
 
 
 
 
Let the River flow
 
Let Your living water flow over my soul, Let your Holy Spirit come and take control, Of every situation that has troubled my mind, All my cares and burdens on to you I roll. Father, Father, Father.
Give your life to Jesus, let Him fill your soul, Let Him take you in His arms and make you whole, As you give your life to Him, He'll set you free, You will live and reign with Him eternally. Jesus, Jesus, Jesus.
Come now Holy Spirit and take control, Hold me in your loving arms and make me whole, Wipe away all doubt and fear and take my pride, Draw me to your love and keep me by your side. Spirit, Spirit, Spirit.
Let your living water flow over my soul Let your Holy spirit come and take control, Of every situation that has troubled my mind, All my cares and burdens onto you I roll. Father, Jesus, Spirit
 
 
 
 










Joy
 

 

 

 

 
Laatste reacties
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Roep van het hooglied

Geen bergen te hoog
geen rivieren te diep
geen zee weerhoudt mij
hitte van de woestijn
schrikt mij niet af
polen zal ik overwinnen

door dichte wouden
baan ik mij een weg
over vlakten zal ik ijlen
vliegen als een vogel
door diep blauwe lucht
naar het hart van mijn liefste.
 
Egbert van de Scheer
 
Lees meer...
 
 
 
 
 
 
Het Hooglied: een lied dat ons de liefde leert (Deel 1: De liefde is schitterend, want je geniet van elkaar)
 
Er is een tijd geweest, dat het boek Hooglied aan tafel niet openging. Vader of moeder sloeg het over. Niet geschikt om met elkaar te lezen. Persoonlijk dan wel? Dat advies kregen zelfs de oudere jongens en meisjes niet. Er werd helemaal niets over gezegd.
Waarschijnlijk waren de ouderen er wat verlegen mee. Wat haal je allemaal los? Ja, de liefde, dat was iets mysterieus. Een enorme kracht. Opeens is het er. En dan kun je er niet tegenop. Ook al zou je het willen. Ook al gebeuren er dingen, die je liever niet had gewild. Maar ze gebeuren wel. Tegen de liefde kun je niet vechten. En dus was het een onderwerp, dat vermeden werd. Soms was er een jongen of een meisje, dat zelf het Hooglied opzocht. Als vader of moeder het niet zag. Wat verboden is of verboden lijkt krijgt juist daardoor iets aantrekkelijks.

Dat laatste, dat een jongen of een meisje zelf het Hooglied gaat lezen: gebeurt het nog? De tijd is veranderd.
Vaak zie je in bushokjes en aan de kant van de weg grote billboards met een mooie, bijna blote vrouw erop. 'Bloot? Ach, helemaal bloot is het nooit. Valt toch wel wat mee! Reclame voor damesondergoed, voor een bikini. Die lui moeten hun spullen natuurlijk ook kwijt.'
We raken eraan gewend, aan die openheid. Ja, raken we er echt aan gewend?
En dan die bedscènes in een film op tv.
'Och, dat wordt toch gespeeld. Het is niet echt.' ' Nee, echt?'
In elk geval doen de meeste mensen niet meer geheimzinnig over seks. En dus zou Hooglied heel goed gelezen kunnen worden vandaag. Maar gebeurt het ook? En zo ja, hoe dan?
Er wordt over Hooglied wel eens gegniffeld. 'Zo ga je als jongen en meisje toch niet met elkaar om? Zo praat je toch niet tegen elkaar? Het is wel heel duidelijk een andere cultuur dan de onze.' Of iemand slaat het bewust over. De liefde in het Hooglied vindt hij veel te naïef. Zo naïef is hij niet en hij wil het ook niet worden.

Wij leven in een tijd van openheid. Maar kennelijk is die openheid niet objectief. Mensen hebben nog steeds hun oordelen. Of is het Hooglied misschien zelf eenzijdig? Is dat boek wel objectief?
Het Hooglied kreeg een plek in de bijbel. Alleen daardoor al heeft het iets unieks. De bijbel is het boek van God, zijn openbaring. Israël heeft ook het Hooglied een plaats gegeven tussen de heilige boeken. Onder de heilige boekrollen, die zorgvuldig werden bewaard in een vertrek van de tempel, was ook de boekrol van het Hooglied.
Toen het daar werd neergelegd, bestond de vergeestelijkende uitleg van het Hooglied nog niet. U of jij weet misschien wel wat dat is. Dat betekent, dat het in Hooglied niet om een jongen en een meisje gaat, maar om God en Israël.
Het Hooglied hoort bij de bijbel. God wil ons er dus iets mee zeggen, iets openbaren. Hij wil onze ogen openen voor iets wat we vaak niet zien. En dat is dat de liefde schitterend is.

Daar gaat het in deze preek over:

De liefde is schitterend, want je geniet van elkaar.

Hooglied is een apart boek. Ook in de bijbel. Zoals in dit lied over de liefde gesproken wordt, gebeurt dat nergens anders in de Schrift.

Wel klinken er in verband met de liefde veel waarschuwingen. "Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid," zo zegt de moeder van Lemuël, koning van Massa, in Spreuken 31 tegen haar zoon. 'Pas op jongen, een vrouw kan je met haar schoonheid vangen. Maar als ze je heeft, kan ze je een heleboel kwaad doen. Zoek een vrouw, die de Here vreest.'
Schoonheid is niet alles. Wat heb je aan een mooie vrouw zonder verstand? Die schoonheid staat haar niet. Wat is nou een gouden ring in een varkenssnuit? Geen gezicht!
Schoonheid kan ook een valkuil worden. Je bent wat uitgekeken op je eigen vrouw. Je hebt inmiddels ook haar zwakheden leren kennen. Je ergert je daar soms aan. En dan is daar die ander. Heel vriendelijk, als je haar tegenkomt. Nog jong en knap. De Spreukendichter waarschuwt ervoor (Spreuken 15: 5). 'Drink water uit je eigen regenbak en welwater uit je eigen bornput.' 'Pas op man. Je speelt met vuur.'
Sóms lees je iets anders. De knecht van Abraham bewondert Rebekka. Zij is erg knap. Jakob valt op Rachel. Ze heeft een mooi figuur. Zeven jaren moet hij werken om haar te krijgen. Ze vliegen om. Hij doet het voor haar. Ook het omgekeerde gebeurt, dat een meisje verliefd wordt op een jongen. Michal, de dochter van Saul, is weg van David, die held, die Goliat overwon en in dienst kwam bij haar vader.
Maar het wordt allemaal sober verteld. Zo uitvoerig als in het Hooglied: dat kom je in de hele bijbel nergens tegen.
Geen wonder dat dit bijbelboekje vanaf de 2e eeuw na Christus regelmatig vergeestelijkt werd: God en Israël, Christus en de kerk. Maar binnen het bijbelboek zelf is daar geen enkele aanleiding toe.

Het Hooglied is uitvoerig. De jongen en het meisje hebben elkaar goed bekeken. Ze hebben daar de tijd voor genomen. En ze vinden elkaar mooi. 'Je bent mooi, mijn liefste. O, wat ben je mooi.' 'Mijn lieve jongen, je bent mooi. Je bent een schitterende vent.'
Ze passen ook de wonderlijkste vergelijkingen op elkaar toe. Zij doet hem denken aan een paard, een merrie dus.
Een merrie voor de sjees van de Farao. Een prachtdier uit de koninklijke stoeterijen. Kijk eens naar dat paardenhoofd. Naar de mooi versierde oogkleppen. Naar het kunstig bewerkte tuig om de paardenhals. Hij moet eraan denken, als hij haar ziet. Die mooie sieraden, die haar beide wangen zo goed accentueren en dan die snoeren om haar ranke hals.
Als hij haar een lelie noemt, noemt zij hem een appelboom. Een lelie in een groot distelveld. Dat valt op! Een appelboom tussen de bomen van het bos. Zo'n boom verwacht je daar niet. Maar opeens staat hij daar.
Je kunt er wat om lachen, om al die beelden. Wij zouden het zo niet zeggen. Maar het spel kennen wij wel. Het is er. Al zullen wij het niet in de openbaarheid brengen. Die lieve woordjes, die jij tegen je vriend of je vriendin zegt, daar heeft een ander niets mee nodig. Dat is privé. Zo open is de Nederlandse maatschappij nu ook weer niet.
Beelden uit het dierenleven gebruiken die jongen en dat meisje, uit de natuur. Maar ze delen elkaar ook verschillende rollen toe. De rol van de koning en de koningin, de vorstendochter, de rol van de herder, de herderin, de rol van de hovenier en de hovenierster. 'Mijn prins, mijn held, mijn ridder.' 'Mijn prinses, mijn boerinnetje.' Zo vreemd is het Hooglied toch ook weer niet?
Ze hebben elkaar goed bekeken. Ze namen de tijd voor elkaar. Niet voor niets speelt de liefde zich in een landelijke omgeving af. En wie kan vandaag de vakantieliefdes tellen?

Aandacht voor elkaar. Het komt er zovaak niet van. Waarom niet? Omdat we het zo druk hebben. Het leven is jachtig. Het stelt hoge eisen aan ons. Je wordt zomaar meegezogen.
Toch zijn er wel degelijk dingen waar wij tijd voor maken. Onze maatschappelijke carrière, de zo belangrijke sociale relaties voor positie en toekomst, de veel gewaardeerde algemene ontwikkeling: we krijgen het allemaal voor elkaar.
Zou het niet gewoon de zonde zijn, die de band tussen een jongen en een meisje, tussen een man en zijn vrouw soms zo los kan maken?
De zonde dreef een wig tussen de eerste man en de eerste vrouw. Wat was het goed! 'Tof', zo staat er in het Hebreeuws. Het werd het een puinhoop. Toen het erop aankwam, speelde hij haar de Zwarte Piet toe. Hij verried haar. Verraden, uitleveren. Een ander woord is er niet voor. Lijfsbehoud, eigenbelang, daar gaat het toch om? En vanaf dat moment ging en gaat het daar steeds om. 'Naar je man zal je begeerte uitgaan,' zegt God tegen haar. Als vrouw, als meisje, wil je hem hebben. hebben! En wat gebeurt er dan? 'Dan zal hij over je heersen,' zegt God. 'Dan hééft hij jou. Maar jij hebt hém niet.' Iemand die heerst, geeft zichzelf niet. De mens wordt tot een ding. In heel veel gevallen is dat de vrouw. Want de man is sterk.
Dan wordt zij zijn stuk. Maar de man kan ook een ding worden. Een lekker ding, weliswaar, maar een ding!
Zo ontstaat er een tegenover. Jij moet zien, dat je haar krijgt, haar versiert. Je moet zien, dat je haar houdt, dat een andere jongen haar niet van je afkaapt. En jij moet eraan werken, dat die jongen niet bij je wegloopt. Mannen zijn soms zo ontrouw. Ze gaan vreemd. Maak het hem naar de zin. Zorg ervoor, dat hij zich happy bij je voelt.
Het is heel gek. De jongen of het meisje waarop je verliefd bent, vormt tegelijk een bedreiging voor je. Je trekt elkaar aan. Je stoot elkaar ook af. En het is maar net, wat de overhand krijgt, of liever, wat de overhand behouden kan.

Een bedreiging. En als die ander een bedreiging voor je is, neem je niet goed meer waar. Zijn of haar karakter. De zwakke, maar ook de sterke kanten van die ander. Wat hij of zij meemaakt, wat zij of hij daarbij voelt. Je ziet het nauwelijks. Je weet het helemaal niet. Je weet natuurlijk dat de ander knap is of in elk geval iets moois heeft. Je bent niet voor niets op hem of op haar gevallen. Maar wat was dat ook nog maar weer? Nieuwe dingen heb je in ieder geval niet ontdekt. In feite ben je op één ding gefocused. Dat jij haar krijgt, dat jij hem houdt.
En als je haar helemaal kunt krijgen, dan laat je je die kans niet ontglippen. Je wordt ook voor gek verklaard, als je de kans van je leven voorbij laat gaan. Dan heb je haar. En de trouwdag... Trouwen is burgerlijk. Dan ben je je vrijheid kwijt, voor altijd gebonden. Je moet ook aan je eigenbelang denken, je eigen ontwikkeling, je jeugd, je maatschappelijke en sociale carrière.
Eigenbelang. Maar ben je daarvoor op aarde? Je bent hier als mens voor God. Je bent hier voor de ander. Heb God lief en de naaste.

De jongen en het meisje in het Hooglied genieten van elkaar.
Ze nemen elkaar waar. Ze kennen elkaar. Ze raken zelfs in vervoering. Is dat niet wat overdreven? We stuitten daar al op.
Maar wat is kennen? Is dat, dat je elkaar op een afstandelijke manier in kaart brengt? Dat doe je misschien met iemand die bij jou in dienst is of met iemand bij wie jij in dienst bent. Maar zelfs dan... Als je als mensen met elkaar omgaat, worden er diepere dimensies aangeboord. Er groeit iets, hoe summier ook. Als je van elkaar houdt, groeit er zeker iets. En dat iets, die liefde dus, daar word je beiden weer door gevormd. Daar wordt de ander anders van. Nóg meer anders. Uniek. Wat een wonder. Hoe dichter bij jou, hoe meer uniek.
Daar kunnen wij met onze simpele gedachten niet bij. Wij denken dan aan eenvormigheid. De ander komt dichterbij en dus zitten wij steeds meer op dezelfde lijn. Daar zit ook wel wat in. Maar het is niet het enige. Die ander blijft altijd een bijzonder schepsel van God. Jij en zij, jij en hij, je wordt nooit aan elkaar gelijk. Dat is ook het mooie van de liefde. Er is sprake van een twee-eenheid. Maar juist omdat je zo verschillend bent, voeg je aan elkaar iets toe, wordt het iets prachtigs.
'Twee kunnen niet tot één worden. Het blijft altijd twee. Of de één moet zich schikken naar de ander of de ander naar die ene.' Ja, zo denken wij. Maar de Schepper denkt er anders over.
En in het Hooglied wordt dat werkelijkheid. Zowel hij als zij komt volledig tot haar of zijn recht. Als we het boekje uit hebben, weten we wie hij is, maar ook wie zij is.

Het lijkt wel alsof we in het Hooglied in het paradijs zijn beland. Bestaat zoiets wel in deze wereld? Blijkbaar wel. Kennelijk kwam het in Israël voor.
Het zal geweest zijn in de tijd van koning Salomo. Dat was een tijd van hoogconjunctuur. Er waren veel contacten met andere volken, dichtbij en ver weg. Israël was rijk. Kostbare schatten werden ingevoerd. Goud, zilver, ivoor. Jeruzalem werd een prachtige stad. Maar ook Tirza, de stad die na de scheiding van het rijk de hoofdstad werd van het Tien-stammenrijk. Men wist ook veel van andere landen. Israëlitische kooplui kwamen regelmatig in het buurland Egypte. Daar zagen zij in de hoofdstad de Farao op zijn sjees, een schitterende merrie voor de kar. En in Israël kwamen kunstenaars: dichters, musici, spreukendichters, beeldhouwers en schilders.
Zo'n tijd is er daarna nooit meer geweest. Het is ook echt een tijd waarin het Hooglied past: een prachtig literair kunstwerk. Want dat is het.
Het zou zelfs nog wel kunnen, dat Salomo het heeft gemaakt. Er wordt van hem verteld, dat hij meer dan 1000 liederen heeft gedicht. De koning was kunstzinnig tot en met. Hij moet zich dan wel geïdentificeerd hebben met een ander. Want aan het einde van Hooglied, hoofdstuk 8: 11 en 12, neemt de dichter afstand van Salomo. 'Salomo', zo zegt hij, 'bezat een wijngaard te Baäl-Hamon. Hij gaf die wijngaard aan bewakers.'
Die wijngaard van Salomo was zijn harem en de bewakers waren zijn harembewakers. Zevenhonderd vrouwen had hij en driehonderd bijvrouwen. 'Nu', zo zegt de dichter, 'de duizend laat ik aan u, Salomo. Geef mij maar mijn liefste. Aan haar heb ik genoeg. Er is niemand zoals zij.'
Maar waarom kon Salomo zich niet inleven in wat èchte liefde was? Wellicht zag hij het aan zijn hof. Een jonge ambtenaar, vol van zijn vriendin. Zij is voor hem de enige. Hij zag ze wel eens samen. Dan werd hij jaloers. Wat hielden die twee van elkaar!
Dat was voor hem niet weggelegd. Als je koning bent van zo'n machtig rijk, dan ben je aan je stand een harem verplicht. Anders val je in de diplomatieke wereld van die tijd uit de toon. Misschien was Salomo zich zijn jaloezie niet eens bewust en kwam die, zijns ondanks, in het Hooglied tot uiting. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Het leven van Salomo heeft iets dubbels. Hij is een vrome koning. Hij krijgt, op eigen verzoek, een geweldige wijsheid en die wijsheid heeft alles te maken met de geboden van God. Hij wist ook wat echte liefde was. Maar het lukte hem niet om uit zijn tijd te stappen, om te breken met de zondige structuren van de diplomatieke wereld van zijn tijd.
Is dat misschien de zwakheid van het Oude Testament? Zien we hier de kracht van de zonde en de zwakheid van de wet? Als je de hele bijbel leest, zou je het haast zeggen. Er zit ook vast wel wat in. Maar laten we ons niet verkijken op de hardnekkigheid van zondige structuren vandaag. Die is vaak ook niet mis.

In het Hooglied is het alsof je in het paradijs bent.
Is dit bijbelboek wel reëel? Waarom niet? God kan ook nog wel wat. Als je dat gelooft, neemt het Hooglied je mee. Gód neemt je mee. Hij zet het gewoon voor ons neer, dat mooie lied. Dan haal je het niet in je hoofd om daar kritiek op te hebben. Als je ziet, dat een jongen en een meisje van elkaar houden, ontroert je dat.
De bijbel waarschuwt, als het om liefde gaat. Dat moet ook, want de liefde is kwetsbaar. Maar er is meer. Want echte liefde bestaat. En die is schitterend.
Dat geeft moed. Geef, als je getrouwd bent, aandacht aan elkaar. Het is niet voor niets. En als je verkering hebt: weet dan, dat je samen toeleeft naar iets prachtigs.
En als je niet getrouwd bent: ja, dat is niet altijd eenvoudig. Als er verdriet is, leg dat dan voor aan God. 'U hebt het zo mooi bedoeld. Waarom dan toch?' God weet alles. Hij zegt niet alles. Maar Hij steunt wel. God is ook veel meer waard dan man of vrouw!
Misschien ook is er een goede vriend of een goede vriendin. Dat is niet hetzelfde als wat in het Hooglied staat. Maar we zitten wel een eind in de goede richting. Je kunt ook als vrienden elkaar waarderen en je krijgt veel van elkaar. Geniet daarvan.
Ja, dat wil God, dat wij als mensen van elkaar genieten zullen. Er is hier niet alleen maar dreiging. Er is ook liefde. Er is zelfs huwelijksliefde. Een prachtig cadeau van God.
Ds. T.S. Huttenga
Lees meer...
 
 
 
De weg van het Hooglied
 
 
 
Aan het begin van die weg
heb ik eens gestaan
gewacht op mijn liefste
waarvan ik zeker wist
dat ze hier langs zou komen
 
op het midden van die weg
ben ik eens stil blijven staan
dacht dat ik haar zag komen
waarop ik zolang had gewacht
alleen nog van kon dromen
 
op het eind van die weg
heb ik nog eenmaal omgekeken
ben bedroefd doorgelopen
omdat toch wel was gebleken
dat ze voor een ander had gekozen
 
ik wist niet dat jij aan het begin
zolang al op mij stond te wachten
bittere tranen huilend al die nachten
zeker dacht dat ik langs zou komen
maar die weg was zo eindeloos lang.

© Egbert Jan van der Scheer
 
 
Lees meer...
 
 
 
Sonnet van het hooglied
 
Zing mijn liefste over liefde en minnen
begeleid door harp en met vrolijke fluit
beeld in bekoorlijke dans je vreugde uit
genieten we van schone klank in zinnen

die samengevoegd in vorm en akkoord
geheel ons hart en gemoed zullen strelen
onze pijnen en verdriet zullen helen
feest voor ieder die van je warmte hoort

maar laat niet te vroeg de lampen doven
opdat de bruidegom de poort niet sluit
u wordt geweerd uit feestzaal en van hoven.

Dans mijn liefste en deel je liefde uit
geef iedere gast van wat je hebt ontvangen
en wacht op je bruidegom in verlangen.

Naar het boek Hooglied
en Mat. 25: 1 t/m 13

@ Egbert Jan van der Scheer
 
Lees meer...
 
 
Hooglied
 
1
1 Hooglied, van Salomo.
Zij
2 Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3 zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4 Neem mij met je mee. Laten we rennen!
 

Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
 

Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
 

7 Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
 
Laat me toch niet dwalend  
langs de kudden van je vrienden gaan.
Hij
8 Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
 

9 Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11 Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.
Zij
12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13 Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14 Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.
Hij
15 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.
Zij
16 Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17 de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
2
1 Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
Hij
2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
Zij
3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
 

4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Zij
8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
 

10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
 

Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
Hij en zij
15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
Zij
16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
3
1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
 

3 De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
6 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn
als een zuil van rook,
in een wolk van wierook en mirre,
in een geur van kostbare kruiden?
7 Kijk! Salomo’s draagstoel,
omringd door zestig helden
uit de keurtroepen van Israël,
8 allen met de hand op het zwaard,
geoefend in de strijd,
ieder met het zwaard op de heup,
bedacht op nachtelijk gevaar.
 

9 Een draagkoets maakte koning Salomo,
een koets van cederhout.
10 De stijlen zijn van zilver,
het baldakijn van goud,
de zetel is van purper.
Hij is versierd met tekens van liefde
door de meisjes van Jeruzalem.
 

11 Kom kijken, meisjes van Sion,
kijk naar koning Salomo!
Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide
op zijn bruiloftsdag,
de dag die zijn hart zo verblijdt.
Hij
4
1 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven,
door je sluier heen.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van Gileads bergen.
2 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
3 Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
je mond is betoverend.
Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
4 Je hals is als de toren van David,
die in ringen is gebouwd,
die met schilden is behangen,
met wel duizend schilden van helden.
5 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle,
die tussen de lelies weidt.
6 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht,
ga ik naar de mirreberg,
ga ik naar de wierookheuvel.
7 Vriendin, aan jou is alles mooi,
niets ontsiert je schoonheid.
 

8 Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9 Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10 Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11 Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
 

12 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin,  
een verzegelde bron.
13 Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten,
mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15 Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.
Zij
16 Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof,
laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
Hij
5
1 Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat,
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Meisjes
Eet, vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Zij
2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3 ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4 Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5 Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
 

8 Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Meisjes
9 Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Meisjes
6
1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 

8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk.
Meisjes
7
1 Draai rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 

14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 

3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 

6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.

Meisjes
6
1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 

8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk.
Meisjes
7
1 Draai rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 

14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 

3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 

6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.

Meisjes 6
1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 

8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk.
Meisjes
7
1 Draai rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 

14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 

3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 

6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.
 
NBV
Lees meer...
 
 
Feest als het Hooglied
 
 
Vol verlangen zie ik uit
naar iedere nieuwe morgen
als een bruidegom naar zijn bruid
haar te ontvangen zonder zorgen
die ik in mijn hart wil sluiten
vol verwachting en met vreugd
 
iedere dag als feest weer vieren
vrolijk zingend met een blijde lach
lijf en hoofd met kransen sieren
en iedereen geluk ervaren mag
met mijn bruid in blinkend wit
door paradijselijke paden
 
dan is ook het grote feest op aarde
waarin ieder schepsel vreugde vind
doordrongen van werkelijke waarde
als Gods kind te zijn bemind.
 
 
@Egbert Jan van der Scheer
 
Lees meer...
Categorieën
Vreugdebron!
 
 
 
 

Meer van Beloved Daughter:

    Afgesloten Hof

    Beautiful Place

    Beloved Court

    Beloved Daughter

    Beloved Garden

    Beloved Place

    Beloved Woman

    Bride of Christ

    Daughter of Christ

    Deserted Place

    Desolate Place

    God's garden

    Holy Place

    Hooglied

    Lonely PLace

    Lovely Garden

    Oase

    Resting Place

    Rose of Love

    Prince of Peace

    Schuilgrot

    Tuin van God

    Toevluchtsoord

    Vreugdebron

    Vredevorst

 
 

 

 

 

  

   

   

   

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De bruid van Christus
 
 Een afgesloten hof zijt gij,
mijn zuster, bruid,
 een afgesloten wel,
een verzegelde bron.
 Wat uit u opspruit,
is een lusthof van granaatappelbomen,
 met kostelijke vruchten,
 hennabloemen en nardusplanten,
 nardus en saffraan,
kalmus en kaneel,
 met allerlei wierookstruiken,
 mirre en aloë,
 met al de kostbaarste specerijen.
 Fontein der hoven,
bron van levend water,
 beken van de Libanon!
 Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind,
 doorwaai mijn hof,
opdat zijn balsemgeuren stromen!
 Mijn geliefde kome tot zijn hof
 en ete daarvan de kostelijke vrucht.
 Ik ben gekomen tot mijn hof,
 mijn zuster, bruid,
 ik plukte mijn mirre en mijn balsem,
 ik at mijn raat en mijn honing,
 ik dronk mijn wijn en mijn melk.
 Eet, vrienden, drinkt,
en wordt dronken, genoten.
 
Hooglied 4:12-16, 5:1.
  

  

 
 
 
 
 
Mischien ken je mij niet,
 
maar Ik weet alles over jou
wanneer je zit en je weer opstaat
en waar je leven zou
 
Nog voordat Ik de wereld schiep
kende Ik jouw naam
Je bent het allermooiste wonder
dat Ik tot leven riep.
 
Geen vergissing of toeval
door Mij gepland.
Ik ben je Vader die jou kent.
 
Laat Mij je omarmen
geef je angst, je pijn en nood
Want jij bent hier veilig op Mijn schoot.
 
Ook al zit je hart op slot
de sleutel die heb jij
Draai hem om en kom bij Mij.
 
 Je Hemelse Vader
 
 
 
 
Ik hou van U
 
Lieve Vader in de hemel
U zorgt zo goed voor mij
U laat mij nooit alleen, Heer
U bent er altijd bij.
 
Als een schaap is weggelopen
En de weg terug niet vindt
Zal de herder blijven zoeken
Zo zoekt U mij op
Want ik ben Uw kind
 
            Ik hou van U
            U bent mijn Heer
            U bent mijn God
            Ik hou van U
            Uw liefde voor mij
            Is niet te meten zo groot
            Ik hou van U
            U bent mijn Heer, mijn God
 
Onder de vleugels van haar moeder
Zit een kuikentje zo klein
Veilig en geborgen
Zo mag ik bij U zijn
 
Als een arend, die leert vliegen
En zijn eigen nest verlaat
Wordt gedragen door zijn vader
Zo draagt U mij
als het moeilijk gaat.
 
 
 
 
http://i30.tinypic.com/4vn7lh.jpg
 
Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt,
stromen van levend water zullen uit zijn
binnenste vloeien.
 
Johannes 7:38, 39
 
 
 
Geniet van de schepping van de Here.
Alles wat Hij gemaakt heeft is goed.
 
 
 
Looft de Here, mijn ziel
Vergeet niet een van Zijn Weldaden.
 
fallslake.gif image by riaRIJKERS2
 
 
Bedankt voor je bezoekje
 en veel van Gods Rijke Zegen
toegewenst!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Klik aan:
GodsGarden.gif Gods garden image by lifeischrist4all
 
 
 
 

Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl